Jaiva-dharma - De wezenlijke functie van de ziel (Srila Bhaktivinoda Thakura)

"Jaiva-dharma - De wezenlijke functie van de ziel" (Srila Bhaktivinoda Thakura)

Hoofdstuk 2 

"De Nitya-dharma van de Jiva is zuiver en eeuwig"

blz.32

Raak citaat uit Śrī Caitanya-caritāmṛta » Madhya-līlā » CHAPTER SIXTEEN: The Lord’s Attempt to Go to Vṛndāvana

A. C. Bhaktivedanta Swami Prabhupada / EN:

“You should not make yourself a showbottle devotee and become a false renunciant. For the time being, 

  • enjoy the material world in a befitting way and 
  • do not become attached to it.

Within your heart you should keep yourself very faithful, but externally you may behave like an ordinary man. Thus Kṛṣṇa will soon be very pleased and deliver you from the clutches of māyā."

Srila Bhaktivinoda Thakur / EN:

Do not adopt markata-vairägya (external, monkey renunciation) simply to impress the general populace. You should 

  • accept without attachment whatever sense objects are appropriate for maintaining your devotional practices and 
  • give up all material desires within your heart. 

Internally develop staunch faith in Sri Kṛṣṇa and externally carry out your worldly responsibilities in such a way that no one can detect your inner mood. If you act like this, Sri Kṛṣṇa will very quickly deliver you from material existence.

Srila Bhaktivinoda Thakur / NL

Voer nooit markata-vairAgya (uiterlijke, aapachtige onthechting) uit om alleen het gewone publiek te imponeren. Je moet 

  • zonder gehecht te zijn alle zintuigobjecten, die zinvol zijn voor de instandhouding van je toegewijde bezigheden, AANVAARDEN en 
  • alle materiële verlangens in je hart OPGEVEN.

Ontwikkel innerlijk een vast vertrouwen in Sri Kṛṣṇa en voer uiterlijk je wereldse plichten op een dusdanige manier uit, dat niemand je inwendige gevoel kan ontdekken. Als je zo handelt, zal Sri Kṛṣṇa je heel snel uit je materiële bestaan bevrijden."

blz.33

  • "Jaiva-Dharma is de wezensfunctie van de jiva. Mensen kunnen het verschillende namen geven maar ze kunnen geen andere wezensfunctie creëren. 
  • Jaiva-Dharma is de ongecorrumpeerde spirituele liefde die het oneindig kleine wezen koestert voor de Oneindige Entiteit. 
  • Het lijkt uiteen te vallen in verscheidene aardse vormen, omdat de jivas verschillende materiele naturen hebben."

Hoofdstuk 3

Naimittika-dharma dient te worden opgegeven

.

Hoofdstuk 4

"Vaisnava-dharma is Nitya-dharma"

blz.83

Śrī Kṛṣṇa’s vorm is sac-cid-ānanda – eeuwigdurend, vol kennis en volkomen vreugdevol en zegenrijk. Zijn geboorte, activiteiten en het verlaten van Zijn lichaam hebben niets te maken met de materiële natuur. De eeuwige waarheid verslaat de beschrijving, want deze bevindt zich voorbij het woord. De zuivere ziel ziet de transcendentale vorm en het bovenzinnelijke tijdverdrijf van Śrī Kṛṣṇa in hun spirituele aspecten, maar als hij die allerhoogste realiteit in woorden beschrijft, doet het denken aan een werelds verhaal. Degenen, die in staat zijn de essentie uit de śāstras, zoals de Mahābhārata, te halen ervaren Kṛṣṇa’s spel, zoals het is. Maar als mensen met een gemiddelde, wereldse intelligentie deze beschrijvingen horen, begrijpen ze die op allerlei verschillende manieren.

blz.85

Lāhirī: Weest u alstublieft genadig en geeft u me een dergelijke spirituele realisatie (cid-anubhāva ).

Bābājī: Als je alle materiële twijfels en wereldse logica achterwege laat en jezelf ononderbroken overgeeft aan śrī-nāma , zal de spirituele realisatie snel in jezelf naar boven komen. Hoe meer je je verlaat op wereldse logica, hoe meer je je verstand en geest ondergeschikt maakt aan materiële gebondenheid. Hoe meer je streeft naar het opgangbrengen van de overvloed van nāma-rasa , hoe meer je van je materiële ketenen verlost raakt. De spirituele dimensie zal zich dan in je hart manifesteren.

Lāhirī: Weest u alstublieft genadig en leg mij uit, wat die spirituele ervaring is.

Bābājī: Het verstand wordt tot stilstand gebracht, als het die waarheid in woorden probeert te begrijpen. De waarheid kan alleen worden gerealiseerd door de cultuur van spirituele vreugde (cid - ānanda). GEEF ALLE ARGUMENTATIE OP EN CHANT GEWOON EEN AANTAL DAGEN ŚRĪ-NĀMA . Dan neemt de kracht van nāma automatisch al je twijfels weg en je hoeft hierover bij niemand meer te informeren.

blz.86

Bābājī: De taṭastha-śakti , of de marginale energie, is één van Śrī Kṛṣṇa’s ontelbaar vele vermogens. Uit dit marginale vermogen komen wezens voort, die tussen de cit-jagat en jaḍa-jagat in staan en die het vermogen hebben met beide te associëren. Deze wezens heten jīva-tattva . De jīvas zijn cit-paramāṇu van ontwerp, hetgeen betekent, dat ze atomisch kleine entiteiten van zuiver bewustzijn zijn. Deze jīvas KUNNEN IN DE MATERIËLE WERELD WORDEN GEBONDEN, omdat ze zeer klein zijn, echter omdat ze bestaan uit zuiver bewustzijn, KUNNEN ze – als ze eenvoudig een beetje geestelijke kracht krijgen – ook EEUWIGE BEWONERS VAN DE SPIRITUELE UNIVERSA WORDEN en paramānanda (het allerhoogste bovenzinnelijke plezier) verkrijgen. 

(M.a.w. de jīvas zijn 

  • noch begonnen in, 
  • noch gevallen uit, 

die spirituele universa! De favoriete slogan van A. C. Bhaktivedanta Swami Prabhupada - “going BACK to Godhead” is daarom echt verwarrend ?!)

Er zijn twee typen jīvas: mukta (bevrijd) en baddha (gebonden). De jīvas, die in de geestelijke wereld resideren zijn mukta , terwijl degenen, die door māyā worden geketend en aan deze materiële wereld hechten, baddha zijn. Er zijn twee typen baddha-jīvas: degenen, die spiritueel ontwaakt zijn (anudita-viveka ), zijn de eersten. Vogels, zoogdieren en mensen, die niet hun hoogste geestelijke welzijn zoeken, zijn geestelijk dood, terwijl mensen, die het pad van het Vaiṣṇavisme zijn ingeslagen, geestelijk wakker zijn, want niemand behalve de Vaiṣṇava’s doen ware pogingen om het allerhoogste spirituele doel te bereiken. 

blz.87

Bābājī: Māyā is de materiële functie en is een vermogen van Kṛṣṇa. Dit vermogen staat bekend als de inferieure eigenschap (aparā-śakti ), of het externe vermogen (bahirā ṅ ga-śakti ). Māyā blijft ver uit de buurt van Kṛṣṇa en kṛṣṇa-bhakti , zoals een schaduw uit de buurt blijft van licht. Māyā manifesteert 

  • de elementen aarde, water, vuur, lucht, ruimte, verstand en intelligentie; 
  • de veertien planetaire stelsels; en 
  • het egoïsme, waarmee men zich met het materiële lichaam identificeert. 

Zowel de grofstoffelijke als de subtiele lichamen van de baddha- jīva zijn producten van māyā . Als de jīva is bevrijd, is zijn geestelijke lichaam onbesmet door materie. Hoe meer hij verwikkeld raakt in de ketenen van māyā , hoe meer hij van Kṛṣṇa wordt weggetrokken; hoe onverschilliger hij is jegens māyā , hoe meer hij naar Kṛṣṇa wordt toegetrokken. Het materiële universum is gemaakt door de wil van Kṛṣṇa om het materiële plezier van de baddha- jīvas mogelijk te maken; het is slechts een gevangenis en niet de eeuwige verblijfplaats van de jīvas.

blz.88

Lāhirī: Meester, vertelt u me nu alstublieft over de eeuwigdurende relatie, die bestaat tussen māyā , de jīvas en Kṛṣṇa.

Bābājī: De jīva is een atomisch deeltje bewustzijn (aṇu-cit) en Kṛṣṇa is het complete bewustzijn (pūr ṇ a-cit ); daarom staat de jīva Kṛṣṇa eeuwigdurend ten dienste. Deze materiële wereld is voor de jīvas een gevangenis. Door de kracht van de associatie met de heiligen in deze wereld, beoefent men regelmatig het chanten van śrī-nāma . Na verloop van tijd krijgt men Kṛṣṇa’s genade en wanneer men wordt gesitueerd in de eigen geperfectioneerde, spirituele gedaante (cit -svarūpa ) in de geestelijke wereld, drinkt men de rasa (vloeibare nectar) van Śrī Kṛṣṇa’s dienstverlening. Dit is de vertrouwelijke relatie tussen de drie fundamentele realiteiten (tattvas ). Hoe kun je bhajana uitvoeren zonder deze te kennen?

blz.90

Sādhana-bhakti bestaat in twee soorten: 

  • vaidhī is sādhana opgewekt door de regulerende principes van śāstra en 
  • rāgānugā is sādhana opgewekt door spontane liefde. 

De negen typen bhakti wijzen op vaidhī-sādhana-bhakti .

Rāgānugā-sādhana-bhakti bestaat uit innerlijke liefdedienst aan Kṛṣṇa in de gemoedsgesteldheid van de eeuwige bewoners van Vraja, waarbij men uitsluitend vasthoudt aan hun leiding. DE SĀDHAKA MOET HET TYPE SĀDHANA-BHAKTI BEOEFENEN, WAARVOOR HIJ BEKWAAM IS.

Lāhirī: Hoe wordt adhikāra (bekwaamheid) vastgesteld met betrekking tot sādhana-bhakti ?

Bābājī: Als de geestelijk leraar vindt, dat een trouwe sādhaka geschikt is om zich aan de regulerende principes van śāstra te houden, geeft hij hem eerst instructies in vaidhī-sādhana-bhakti . Als hij denkt, dat een sādhaka geschikt is voor rāgānugā-bhakti , vertelt hij hem hoe hij bhajana moet uitvoeren volgens de rāga-mārga.

Lāhirī: Hoe wordt adhikāra herkend?

Bābājī: Iemand is geschikt voor vaidhī-bhakti , als hij Bhagavān wil vereren volgens de regels en voorschriften van de śāstra en als hij het principe van spontane hartstocht (rāga ) nog niet in zijn ātmā (ziel) heeft ervaren. Iemand is bekwaam voor rāgānugā-bhakti, als een spontane behoefte aan hari -bhajana in zijn ātmā is ontwaakt en hij in zijn verering van Śrī Hari niet ondergeschikt wil zijn aan de voorschriften van śāstra.

blz.92

Lāhirī zei toen nederig, “Zegt u me alstublieft duidelijk welk soort bhajana ik moet uitvoeren.”

“Je moet hari-nāma uitvoeren,” antwoordde Bābājī Mahārāja gedecideerd. “Śrī-nāma-bhajana is sterker dan alle andere vormen van bhajana . Er is geen verschil tussen nāma , de heilige naam, en nāmī , Bhagavān, die de eigenaar is van de heilige naam. Als je nāma zonder overtreding chant, bereik je heel snel perfectie. Alle negen vormen van bhajana worden automatisch uitgevoerd, wanneer je nāma-bhajana uitoefent

  1. Iemand, die śrī-nāma uitspreekt, doet twee dingen tegelijk, horen 
  2. en chanten. 
  3. Als je chant, herinner je het spel en vermaak van Hari en 
  4. zo dien je Zijn lotusvoeten in je hoofd, 
  5. je vereert Hem, 
  6. je biedt Hem gebeden aan, 
  7. je dient Hem in de relatie van dienaar, 
  8. je dient Hem in de relatie van vriend en 
  9. je geeft jezelf aan Hem over.”

Hoofdstuk 6

Nitya-dharma, ras en kaste

blz.146
De aard van śraddhā wordt alsvolgt  omschreven:
sā ca śaraṇāpatti-lakṣaṇā
Śraddhā wordt gekenmerkt door zijn uiterlijke symptoom van śaraṇāgatī, overgave aan Śrī Hari. (Āmnāya-sūtra 58)
Śaraṇāgatī wordt als volgt omschreven:
ānukūlyasya saṅkalpaḥ prātikūlyasya varjanaṁ
rakṣīṣyatīti viśvāso goptṛtve varaṇaṁ tathā
ātma-nīkṣepa-kārpaṇye ṣaḍ-vidhā śaraṇāgatiḥ
 Hari-bhakti-vilāsa (11.47)
Er zijn zes symptomen van zelfovergave. 
  1. De eerste twee zijn ānukūlyasya saṅkalpa 
  2. en prātikūlyasya varjanam: "Ik doe alleen wat gunstig is voor onvermengde bhakti en ik wijs af wat ongunstig is." Dit heet saṅkalpa of pratijñā, een plechtige gelofte. 
  3. Het derde symptoom is rakṣiṣyatīti viśvāso, vertrouwen in Bhagavān als beshermer: "Bhagavān is mijn enige beschermer. Ik heb helemaal niets aan jñāna, yoga en dergelijke bezigheden." Dit is een uiting van vertrouwen (viśvāsa). 
  4. Het vierde symptoom is goptṛtve varaṇam, vrijwillige acceptatie van Bhagavān als instandhouder: "Ik kan op eigen kracht niets bereiken, of zelfs niet mezelf onderhouden. Ik zal Bhagavān dienen, voor zover ik dat kan, en Hij zal voor me zorgen." Dit wordt afhankelijkheid (nirbharatā) genoemd. 
  5. Het vijfde symptoom is ātma-nikṣepa, overgave: "Wie ben ik? Ik ben de Zijne. Het is mijn plicht om aan Zijn wensen te voldoen." Dit is overgave van het zelf (ātma-nivedana). 
  6. Het zesde symptoom is kārpaṇye, bescheidenheid: "Ik ben ellendig, onbeduidend en materieel behoeftig." Dit wordt met nederigheid (kārpanya of dainya) bedoeld. 
Als deze gevoelens in het hart gevestigd raken, krijgt men een neiging, die śraddhā heet. Een jīva, die deze śraddhā heeft, is geschikt voor bhakti en dit is het eerste stadium in de ontwikkeling van de svabhāva, zoals die van de zuivere jīvas, die eeuwigdurendin een bevrijde staat leven. 
blz.147
Allerlei soorten materieel plezier zijn niet-eeuwig, omdat ze duidelijk wijzen op een oorzaak. Er zijn heel veel mensen, die denken, dat mukti eeuwig is, maar dit is alleen, omdat ze niet weten, wat de werkelijke aard van mukti is. De individuele ātmā (ziel) is śuddhā (zuiver), nitya (eeuwig) en sanātana (ongerept). De oorzaak (nimitta) van de gebondenheid van de jīvātmā is de associatie met māyā en mukti is de totale opheffing van deze gebondendheid. De daad van bevrijding, of het loslaten van gebondenheid, wordt bewerkstelligd in een enkel ogenblik, dus de daad van bevrijding is in zichzelf geen eeuwige activiteit. Alle overwegingen van mukti zijn beëindigd, zodra emancipatie is bereikt; mukti is dus niets meer dan de vernietiging van een materiële oorzaak. Omdat mukti slechts de ontkenning is van een tijdelijke, materiële oorzaak, is mukti ook naimittika , oorzakelijk en tijdelijk.
Rati , of gehechtheid voor de voeten van Śrī Hari daarentegen, houdt nooit op, als het ooit in het hart van de jīva was gevestigd. Daarom is deze rati , of bhakti , nitya-dharma en als we de disciplines (aṅgas) goed bekijken, kan van geen enkele worden gezegd, dat het naimittika is. 
  • Het soort bhakti , dat is beëindigd op het punt, waar het mukti schenkt, is slechts een soort naimittika-karma , 
  • terwijl bhakti , die vóór, tijdens en ná mukti aanwezig is, een andere en eeuwige waarheid is, namelik de nitya-dharma van de jīvas. 
Mukti is slechts een onbelangrijk, secundair, bijverschijnsel van bhakti . 
blz.154
Degenen, die geen nitya-sukṛti (vrome daden) hebben, heten dvi-pada-paśu , tweebenige (bipedale) dieren, want ze hebben geen vertrouwen in kṛṣṇa-nāma . Zulke mensen hebben geen menselijke kwaliteiten, zelfs al hebben ze een menselijke geboorte gekregen. In de Mahābhārata staat:
mahāprasāde govinde nāma-brahmaṇi vaiṣṇave
svalpa-puṇyavatāṁ rājan viśvāso naiva jāyate
O Koning, iemand wiens vrome werken in het verleden erg schamel waren, kan geen vertrouwen opbrengen in mahāprasāda, in Śrī Govinda, in Śrī-kṛṣṇa-nāma of in de Vaiṣṇava’s.

Hoofdstuk 7

Nitya-dharma en het materiële bestaan

blz.174
Wanneer de jīva de materiële natuur binnentreedt, neemt hij een nieuw soort egoïsme aan. In zijn zuivere staat-van-zijn heeft de jīva het egoïsme een dienaar van Kṛṣṇa te zijn, maar in de geconditioneerde staat komen verschillende soorten egoïsme naar voren... 
  • Deze ("Ik ben") houdingen worden ahaṁtā genoemd, wat letterlijk betekent het gevoel van 'Ik-heid', of vals egoïsme. 
  • Behalve deze ahaṁtā komt een andere functie de aard van de jīva binnen, namelijk mamatā ('bezitsdrang', of het gevoel van 'mijn')... 
De enorme consternatie, die de ideeën 'Ik' en 'mijn' oproepen, wordt saṁsāra (materieel bestaan) genoemd.
blz.175
Yādava dāsa: De ideeën 'ik' en 'mijn' zijn werkzaam in de geconditioneerde staat, maar bestaan ze ook in de bevrijde staat?
Ananta dāsa: Ja, maar in de bevrijde staat zijn ze spiritueel en zonder gebreken. In de bevrijde staat in de spirituele wereld raakt de jīva bekend met zijn zuivere natuur, precies zoals deze door Bhagavān werd geschapen. In die spirituele wereld zijn vele verschillende soorten reëel egoïsme, die allemaal hun eigen karakteristieke gevoel van 'ik' hebben, dus er zijn ook vele typen cid-rasa , transcendentale uitwisseling van gevoelens. Alle verschillende cinmaya-upakaraṇas, spirituele objecten en persoonlijke bezittingen, die de wezenlijke ingrediënten van rasa vormen, vallen in de categorie 'mijn'.
Yādava dāsa: Wat is dan het defect van de verschillende ideeën van 'ik' en 'mijn', die in de geconditioneerde staat bestaan?
Ananta dāsa: Het defect is, dat in de zuivere staat de begrippen 'ik' en 'mijn' echt zijn, terwijl ze in het materiële bestaan allemaal zijn ingebeeld, of aan het levend wezen zijn opgelegd. Dat betekent, dat deze concepten eigenlijk geen aspecten van de jīva zijn, maar allemaal valse identiteiten en relaties betreffen. Het gevolg is, dat alle variëteiten van materiële identificaties in het wereldse bestaan onbestendig en onecht zijn en slechts tijdelijk geluk en verdriet veroorzaken.
Yādava dāsa: Is dit bedrieglijke, materiële bestaan dus vals?
blz.176
Ananta dāsa: Nee, deze bedrieglijke wereld is niet onecht; de wereld is een realiteit, omdat Kṛṣṇa het wil. Het is het idee van 'ik' en 'mijn' van de jīva , dat onecht is, wanneer hij de materiële wereld binnengaat. Degenen, die geloven, dat deze wereld on-echt is, zijn Māyāvādīs, de pleitbezorgers van de theorie van illusie. Zulke mensen zijn zondaren.
Yādava dāsa: Hoe komt het, dat we in deze illusoire relatie terecht zijn gekomen?
Ananta dāsa: Bhagavān is het volkomen spirituele wezen (pūrṇa-cid-vastu ) en de jīvas zijn geestelijke deeltjes (cit-kaṇa). De eerste locatie van de jīva is op de grens tussen de materiële en spirituele werelden. 
  • De jīvas, die hun relatie met Kṛṣṇa niet vergeten, zijn versterkt met cit -śakti en worden vanuit die positie naar het spirituele gebied getrokken, waar zij Zijn eeuwige metgezellen worden en beginnen daar de zegen van Zijn service te proeven. 
  • De jīvas, die zich van Kṛṣṇa afkeren, willen van māyā genieten en māyā trekt hen met haar vermogen aan. Vanaf dat moment ontstaat onze materiële levensstaat en verdwijnt onze ware spirituele identiteit. Dan denken we, "Ik ben de genieter van māyā ". Dit vals egoïsme bedekt ons met allerlei soorten valse identiteiten.
Yādava dāsa: Hoe komt het, dat onze ware identiteit zich niet manifesteert ondanks aanzienlijke pogingen?
Ananta dāsa: Er zijn twee soorten pogingen: juiste en onjuiste.
Juiste pogingen doen vals egoïsme zeker verdwijnen, maar hoe kunnen onjuiste pogingen daaraan bijdragen?
Referentie: Śrī Jagadānanda heeft een mooie beschrijving van de gevarieerde condities, waarin de jīvas leven, in zijn boek Śrī Prema-vivarta (6.1- 13) - https://premadharma.org/sri-sri-prema-vivarta/#PV-C-06
blz.186
Bhaktas zijn 
  • ofwel gṛhastha-bhaktas , dan zijn ze gehuwd en hebben een huishouden, 
  • of ze zijn tyāgī-bhaktas , dan hebben ze het huishoudelijke (gehuwde) leven afgelegd...
Je wordt geen gṛhastha door eenvoudig een huis te bouwen en er te gaan wonen. Het woord gṛha in gṛhastha verwijst naar het huishouden, dat men sticht, als men volgens de vedische voorschriften met een geschikte vrouw trouwt. Een bhakta, die zich in deze conditie bevindt en bhakti beoefent, wordt een gṛhastha-bhakta genoemd.
De jīva , die door māyā is gebonden, 
  1. ziet vormen en kleuren met zijn ogen; 
  2. hij hoort geluid met zijn oren; 
  3. hij ruikt geuren met zijn neus; 
  4. hij voelt met zijn huid; en 
  5. hij proeft met zijn tong. 
De jīva komt de materiële wereld binnen via deze vijf zintuigen en raakt eraan gehecht. Hoe meer hij gehecht is aan grove materie, hoe groter zijn afstand is tot zijn Prāṇanātha (Heer van zijn leven) Śrī Kṛṣṇa, en zijn conditie wordt bahirmukha-sa ṁ sāra genoemd, ofwel buitenwaarts bewustzijn gericht op het wereldse bestaan. Degenen, die door dit wereldse bestaan zijn bedwelmd, heten viṣayīs , degenen die gehecht zijn aan wereldse lustobjecten.
blz.187
Als bhaktas leven als gṛhasthas, zijn ze geen viṣayī s , die louter op zoek zijn naar het bevredigen van hun zintuigen. De dharma-patnī (vrouw, die een partner is in de realisatie van nitya-dharma ) van de huisvader is een dāsī, of een dienstmaagd van Kṛṣṇa evenals zijn zonen en dochters. 
  1. De ogen van de hele familie worden bevredigd door de vorm van het Godsbeeld en door de objecten in relatie tot Kṛṣṇa te zien; 
  2. hun oren raken volledig bevredigd door het horen van hari -kathā en de levensverhalen van grote sādhus ; 
  3. hun neus ervaart bevrediging door de geur van tulasī en andere geurende objecten te ruiken, die aan de lotusvoeten van Śrī Kṛṣṇa worden geofferd; 
  4. hun tong proeft de nectar van kṛṣṇa-nāma en de restanten van het voedsel, dat aan Kṛṣṇa is geofferd;
  5. hun huid voelt vreugde door het aanraken van de ledematen van Śrī Hari’s bhaktas ; 
hun hoop, activiteiten, verlangens, gastvrijheid en dienst aan het Godsbeeld zijn allemaal ondergeschikt aan hun service aan Kṛṣṇa. Hun hele leven is een groot feest, dat bestaat uit kṛṣṇa-nāma , hun genade voor de jīvas en de service aan Vaiṣṇava’s.
blz.188
Alleen gṛhastha-bhaktas kunnen over materiële objecten beschikken en deze gebruiken zonder eraan gehecht te raken. In het tijdperk van Kali is het voor jīvas heel geschikt om gṛhastha-vaiṣṇava te worden, want dan is er geen angst om terug te vallen. Bhakti kan ook vanuit deze positie volledig worden ontwikkeld.
blz.191
Yādava dāsa: Wilt u me uitleggen hoe men bekwaam wordt om af te zien van het gezinsleven?
Ananta dāsa: Mensen hebben twee neigingen: 
  1. bahirmukha-pravṛtti, de uitgaande tendens; en 
  2. antarmukha-pravṛtti , de binnenwaartse tendens. 
De Veda’s verwijzen naar deze twee tendensen als 
  1. naar buiten, naar de externe wereld gekeerd te zijn en 
  2. naar binnen, naar de ziel gekeerd te zijn.
Als de zuivere, spirituele ziel zijn ware identiteit vergeet, vereenzelvigt hij zijn geest met zijn zelf, maar de geest is echt alleen een deel van het subtiel materiële lichaam. Als hij zichzelf met zijn geest heeft geïdentificeerd, maakt de ziel gebruik van de poorten van de zintuigen en raakt gehecht aan de uiterlijke zintuigobjecten. Dit is de uitgaande neiging. Iemand geeft blijk van de binnenwaartse neiging, wanneer de stroom van het bewustzijn zich van de grove materie in de geest terugtrekt en zich van daaruit op de ziel richt.
blz.192
Yādava dāsa: Wat zijn de symptomen van een bhakta , die geschikt is om het gezinsleven op te geven?
Ananta dāsa: 
  • Hij moet vrij zijn van het verlangen om met de andere sekse te associëren; 
  • hij moet een onvoorwaardelijke compassie voor alle levende wezens koesteren; 
  • hij dient geheel onverschillig te zijn jegens de pogingen om rijkdom te vergaren en 
  • hij mag alleen voedsel en kleding naar behoefte aanvaarden louter om zichzelf in stand te houden.
  • Hij dient een onvoorwaardelijke liefde voor Kṛṣṇa te koesteren; 
  • hij dient de associatie van materialisten te vermijden en 
  • hij dient vrij te zijn van voorkeur voor en afkeer van het leven en de dood. 
blz.194
De bekwaamheid om het gezinsleven op te geven heeft niets te maken met leeftijd. Sommige gṛhastha-bhaktas zijn door de saṁskāras, die ze in dit leven en voorgaande levens hebben verzameld, gekwalificeerd om het gezinsleven op te geven, zelfs terwijl ze nog jong zijn. Bijvoorbeeld, Śukadeva’s verzamelde saṁskāras stelden hem in staat het gezinsleven te veronachtzamen vanaf het moment, dat hij werd geboren. Je moet alleen kunnen inzien, dat deze bekwaamheid niet kunstmatig is. Als de ware onthechting ontwaakt, is de jeugd geen beletsel.
blz.196
Er is voor zulke (wereldverzakende) bhaktas geen voorschrift om de uiterlijke kleding van onthechting te dragen. Dat is alleen noodzakelijk zolang er nog een zekere afhankelijkheid van de publieke opinie bestaat.
blz.198
Yādava dāsa: Hoe noemt u monniken, die een klooster stichten en dan als huisvader gaan leven?
Ananta dāsa: Je kunt ze vāntāsī (degenen die hun eigen braaksel eten) noemen.
Yādava dāsa: Kunnen ze niet langer als Vaiṣṇava’s worden beschouwd?
Ananta dāsa: Welk heil brengt hun associatie, als hun gedrag is tegengesteld aan śāstra en vaiṣṇava-dharma ? Ze hebben zuivere bhakti opgegeven en hebben zich overgegeven aan een hypocriete levensstijl. Welk soort relatie zou een Vaiṣṇava met zulke mensen kunnen hebben?
blz.199
Yādava dāsa: Wordt het huiselijke leven van zulke mensen dan niet beschouwd als gecentreerd rond Kṛṣṇa?
“Nooit,”zei Ananta dāsa met kracht. “Er is geen plaats voor hypocrisie in een huiselijk leven met Kṛṣṇa in het centrum. Er kan alleen volkomen eerlijkheid en eenvoud zijn zonder spoor van overtreding.”
Yādava dāsa: Is zo iemand inferieur aan een g ṛhastha -bhakta ?
Ananta dāsa: Hij is niet eens een toegewijde. Er is dus geen sprake van enige vergelijking met welke bhakta dan ook. 
Yādava dāsa: Hoe kan hij worden gerectificeerd?
Ananta dāsa: Hij wordt weer onder de bhaktas gerekend, zodra hij al zijn overtredingen opgeeft, voortdurend śrī-nāma chant en huilt van berouw.
VOETNOOT
blz.188
Śrīla Bhaktivinoda Ṭhākura heeft gesteld, dat in het tijdperk van Kali wordt aanbevolen, dat alle jīvas gṛhastha-vaiṣṇavas worden, want dan is er geen vrees om terug te vallen. De betekenis van deze uitspraak is, dat het de plicht van alle mensen is om 
  • in een niet-gevallen conditie te leven en 
  • zich bezig te houden met de dienst van Viṣṇu en Vaiṣṇava’s. 
Het is echter niet de intentie van de auteur om de instructie te geven, dat iedereen een gṛhastha moet zijn, of dat niemand in het tijdperk van Kali een andere dan de gṛhastha-āśrama mag aanvaarden. 
Degenen, 
  • die ernstig worden beïnvloed door de materiële kwaliteiten van hartstocht en onwetendheid, 
  • die excessief aan materiële lustbevrediging zijn gehecht en 
  • die een sterke neiging hebben het pad van baatzuchtig streven (pravṛtti-mārga) op te gaan, 
worden aangeraden het huwelijk te aanvaarden en gṛhastha-dharma te volgen om deze tendensen te weerstaan. 
Degenen daarentegen 
  • met een natuur in de kwalilteit goedheid en zuiverheid, 
  • die het pad van onthechting (nivṛtti-mārga) volgen, 
moeten niet trouwen en op die manier terugvallen.
blz.207
Sannyāsa is de hoogste van de vier āśramas is en gṛhastha de laagste. De brahmacāri-āśrama bevindt zich boven de gṛhastha-āśrama en de vānaprastha-āśrama staat boven de brahmacāri-āśrama . Deze āśramas zijn gerelateerd aan de verworven tendens, die voortkomt uit onze tijdelijke natuur. 
Zoals de varṇas zijn ook de āśramas verdeeld volgens geaardheid, aanleg en arbeid. 
  1. Mensen in een lagere natuur, die geneigd zijn zich bezig te houden met baatzuchtig streven, worden gedwongen om gṛhasthas te worden. 
  2. Naiṣṭhika-brahmacārīs , degenen die een leven lang de gelofte van het celibaat afleggen, zijn de rijkdom van Śrī Kṛṣṇa’s hart. 
  3. Degenen, die zijn onthecht in vānaprastha, zijn voortgekomen uit Kṛṣṇa’s borst en 
  4. sannyāsīs, die het reservoir van gunstige kwaliteiten vormen, zijn uit Zijn hoofd voortgekomen. 
De brahmacārīs, vānaprasthas en sannyāsīs zijn daarom allemaal bovengeschikt aan de gṛhasthas, maar men blijft onbekwaam om in deze drie hoogste āśramas binnen te gaan, zolang de smaak voor het pad van onthouding niet in het hart is ontwaakt.
blz.210
Degenen, die trouwen zonder het verlangen naar kinderen, zijn in feite ware gṛhastha-vaiṣṇavas. Als een man zijn vrouw werkelijk ziet als een dienstmaagd van Kṛṣṇa, is er geen gelegenheid haar te beschouwen als een object voor zijn eigen genoegen; in plaats daarvan zal zijn houding er een zijn van adoratie. Het is waar, dat er uitspraken zijn, die de kinderwens sanctioneren, zoals putrārthe kriyate bhāryā, “Een vrouw wordt aanvaard met het doel om kinderen te krijgen”, maar dit impliceert, dat men dienaren van Kṛṣṇa wenst te krijgen en geen gewone, wereldse kinderen.
Het woord putra (zoon) is afkomstig van het woord put , dat verwijst naar een bepaalde helse planeet en tra komt van het werkwoord ‘bevrijden’. Dus de traditionele betekenis van het woord putra is het krijgen van een zoon, die jou uit de hel kan verlossen door offergaven aan te bieden, nadat je uit de wereld bent vertrokken. Er is echter geen mogelijkheid, dat Vaiṣṇava’s, die regelmatig Śrī-hari-nāma chanten, naar de hel genaamd put gaan. Daarom verlangen zij geen putras , maar dienaren van Kṛṣṇa.
Over het algemeen verzadigt een man zich, die door materiële conditioneringen is gebonden en het pad van baatzuchtig streven inslaat, in seksuele gemeenschap met een vrouw om zijn gerief te halen. Kinderen worden alleen geboren als bijproducten van dat verlangen. Dit is de reden, dat de mensen van vandaag de dag over het algemeen een wellustige natuur hebben. Zoals men pleegt te zeggen, ātmavat jāyate putraḥ, “De appel valt niet ver van de boom”. (EN: "A son takes after his father")


Reacties

Populaire posts van deze blog

Help! Ik ben gelukkig - Schizofrenie van een samenleving (Mark Van de Voorde)

Hari-nāma Cintāmaṇi

Inferno (Dan Brown)