Jaiva-dharma - De wezenlijke functie van de ziel (Srila Bhaktivinoda Thakura)
- EN: https://www.purebhakti.com/resources/ebooks-magazines/doc_view/21-jaiva-dharma
- NL: https://www.purebhakti.com/resources/ebooks-magazines/bhakti-books/dutch/628-jaiva-dharma-de-wezenlijke-functie-van-de-ziel-deel-1
Hoofdstuk 2
"De Nitya-dharma van de Jiva is zuiver en eeuwig"
blz.32
Raak citaat uit Śrī Caitanya-caritāmṛta » Madhya-līlā » CHAPTER SIXTEEN: The Lord’s Attempt to Go to Vṛndāvana
A. C. Bhaktivedanta Swami Prabhupada / EN:
“You should not make yourself a showbottle devotee and become a false renunciant. For the time being,
- enjoy the material world in a befitting way and
- do not become attached to it.
Within your heart you should keep yourself very faithful, but externally you may behave like an ordinary man. Thus Kṛṣṇa will soon be very pleased and deliver you from the clutches of māyā."
Do not adopt markata-vairägya (external, monkey renunciation) simply to impress the general populace. You should
- accept without attachment whatever sense objects are appropriate for maintaining your devotional practices and
- give up all material desires within your heart.
Internally develop staunch faith in Sri Kṛṣṇa and externally carry out your worldly responsibilities in such a way that no one can detect your inner mood. If you act like this, Sri Kṛṣṇa will very quickly deliver you from material existence.
Srila Bhaktivinoda Thakur / NL
Voer nooit markata-vairAgya (uiterlijke, aapachtige onthechting) uit om alleen het gewone publiek te imponeren. Je moet
- zonder gehecht te zijn alle zintuigobjecten, die zinvol zijn voor de instandhouding van je toegewijde bezigheden, AANVAARDEN en
- alle materiële verlangens in je hart OPGEVEN.
Ontwikkel innerlijk een vast vertrouwen in Sri Kṛṣṇa en voer uiterlijk je wereldse plichten op een dusdanige manier uit, dat niemand je inwendige gevoel kan ontdekken. Als je zo handelt, zal Sri Kṛṣṇa je heel snel uit je materiële bestaan bevrijden."
blz.33
- "Jaiva-Dharma is de wezensfunctie van de jiva. Mensen kunnen het verschillende namen geven maar ze kunnen geen andere wezensfunctie creëren.
- Jaiva-Dharma is de ongecorrumpeerde spirituele liefde die het oneindig kleine wezen koestert voor de Oneindige Entiteit.
- Het lijkt uiteen te vallen in verscheidene aardse vormen, omdat de jivas verschillende materiele naturen hebben."
Hoofdstuk 3
Naimittika-dharma dient te worden opgegeven
Hoofdstuk 4
"Vaisnava-dharma is Nitya-dharma"
blz.83
Śrī Kṛṣṇa’s vorm is sac-cid-ānanda – eeuwigdurend, vol kennis en volkomen vreugdevol en zegenrijk. Zijn geboorte, activiteiten en het verlaten van Zijn lichaam hebben niets te maken met de materiële natuur. De eeuwige waarheid verslaat de beschrijving, want deze bevindt zich voorbij het woord. De zuivere ziel ziet de transcendentale vorm en het bovenzinnelijke tijdverdrijf van Śrī Kṛṣṇa in hun spirituele aspecten, maar als hij die allerhoogste realiteit in woorden beschrijft, doet het denken aan een werelds verhaal. Degenen, die in staat zijn de essentie uit de śāstras, zoals de Mahābhārata, te halen ervaren Kṛṣṇa’s spel, zoals het is. Maar als mensen met een gemiddelde, wereldse intelligentie deze beschrijvingen horen, begrijpen ze die op allerlei verschillende manieren.
blz.85
Lāhirī: Weest u alstublieft genadig en geeft u me een dergelijke spirituele realisatie (cid-anubhāva ).
Bābājī: Als je alle materiële twijfels en wereldse logica achterwege laat en jezelf ononderbroken overgeeft aan śrī-nāma , zal de spirituele realisatie snel in jezelf naar boven komen. Hoe meer je je verlaat op wereldse logica, hoe meer je je verstand en geest ondergeschikt maakt aan materiële gebondenheid. Hoe meer je streeft naar het opgangbrengen van de overvloed van nāma-rasa , hoe meer je van je materiële ketenen verlost raakt. De spirituele dimensie zal zich dan in je hart manifesteren.
Lāhirī: Weest u alstublieft genadig en leg mij uit, wat die spirituele ervaring is.
Bābājī: Het verstand wordt tot stilstand gebracht, als het die waarheid in woorden probeert te begrijpen. De waarheid kan alleen worden gerealiseerd door de cultuur van spirituele vreugde (cid - ānanda). GEEF ALLE ARGUMENTATIE OP EN CHANT GEWOON EEN AANTAL DAGEN ŚRĪ-NĀMA . Dan neemt de kracht van nāma automatisch al je twijfels weg en je hoeft hierover bij niemand meer te informeren.
blz.86
Bābājī: De taṭastha-śakti , of de marginale energie, is één van Śrī Kṛṣṇa’s ontelbaar vele vermogens. Uit dit marginale vermogen komen wezens voort, die tussen de cit-jagat en jaḍa-jagat in staan en die het vermogen hebben met beide te associëren. Deze wezens heten jīva-tattva . De jīvas zijn cit-paramāṇu van ontwerp, hetgeen betekent, dat ze atomisch kleine entiteiten van zuiver bewustzijn zijn. Deze jīvas KUNNEN IN DE MATERIËLE WERELD WORDEN GEBONDEN, omdat ze zeer klein zijn, echter omdat ze bestaan uit zuiver bewustzijn, KUNNEN ze – als ze eenvoudig een beetje geestelijke kracht krijgen – ook EEUWIGE BEWONERS VAN DE SPIRITUELE UNIVERSA WORDEN en paramānanda (het allerhoogste bovenzinnelijke plezier) verkrijgen.
(M.a.w. de jīvas zijn
- noch begonnen in,
- noch gevallen uit,
die spirituele universa! De favoriete slogan van A. C. Bhaktivedanta Swami Prabhupada - “going BACK to Godhead” is daarom echt verwarrend ?!)
Er zijn twee typen jīvas: mukta (bevrijd) en baddha (gebonden). De jīvas, die in de geestelijke wereld resideren zijn mukta , terwijl degenen, die door māyā worden geketend en aan deze materiële wereld hechten, baddha zijn. Er zijn twee typen baddha-jīvas: degenen, die spiritueel ontwaakt zijn (anudita-viveka ), zijn de eersten. Vogels, zoogdieren en mensen, die niet hun hoogste geestelijke welzijn zoeken, zijn geestelijk dood, terwijl mensen, die het pad van het Vaiṣṇavisme zijn ingeslagen, geestelijk wakker zijn, want niemand behalve de Vaiṣṇava’s doen ware pogingen om het allerhoogste spirituele doel te bereiken.
blz.87
Bābājī: Māyā is de materiële functie en is een vermogen van Kṛṣṇa. Dit vermogen staat bekend als de inferieure eigenschap (aparā-śakti ), of het externe vermogen (bahirā ṅ ga-śakti ). Māyā blijft ver uit de buurt van Kṛṣṇa en kṛṣṇa-bhakti , zoals een schaduw uit de buurt blijft van licht. Māyā manifesteert
- de elementen aarde, water, vuur, lucht, ruimte, verstand en intelligentie;
- de veertien planetaire stelsels; en
- het egoïsme, waarmee men zich met het materiële lichaam identificeert.
Zowel de grofstoffelijke als de subtiele lichamen van de baddha- jīva zijn producten van māyā . Als de jīva is bevrijd, is zijn geestelijke lichaam onbesmet door materie. Hoe meer hij verwikkeld raakt in de ketenen van māyā , hoe meer hij van Kṛṣṇa wordt weggetrokken; hoe onverschilliger hij is jegens māyā , hoe meer hij naar Kṛṣṇa wordt toegetrokken. Het materiële universum is gemaakt door de wil van Kṛṣṇa om het materiële plezier van de baddha- jīvas mogelijk te maken; het is slechts een gevangenis en niet de eeuwige verblijfplaats van de jīvas.
blz.88
Lāhirī: Meester, vertelt u me nu alstublieft over de eeuwigdurende relatie, die bestaat tussen māyā , de jīvas en Kṛṣṇa.
Bābājī: De jīva is een atomisch deeltje bewustzijn (aṇu-cit) en Kṛṣṇa is het complete bewustzijn (pūr ṇ a-cit ); daarom staat de jīva Kṛṣṇa eeuwigdurend ten dienste. Deze materiële wereld is voor de jīvas een gevangenis. Door de kracht van de associatie met de heiligen in deze wereld, beoefent men regelmatig het chanten van śrī-nāma . Na verloop van tijd krijgt men Kṛṣṇa’s genade en wanneer men wordt gesitueerd in de eigen geperfectioneerde, spirituele gedaante (cit -svarūpa ) in de geestelijke wereld, drinkt men de rasa (vloeibare nectar) van Śrī Kṛṣṇa’s dienstverlening. Dit is de vertrouwelijke relatie tussen de drie fundamentele realiteiten (tattvas ). Hoe kun je bhajana uitvoeren zonder deze te kennen?
blz.90
Sādhana-bhakti bestaat in twee soorten:
- vaidhī is sādhana opgewekt door de regulerende principes van śāstra en
- rāgānugā is sādhana opgewekt door spontane liefde.
De negen typen bhakti wijzen op vaidhī-sādhana-bhakti .
Rāgānugā-sādhana-bhakti bestaat uit innerlijke liefdedienst aan Kṛṣṇa in de gemoedsgesteldheid van de eeuwige bewoners van Vraja, waarbij men uitsluitend vasthoudt aan hun leiding. DE SĀDHAKA MOET HET TYPE SĀDHANA-BHAKTI BEOEFENEN, WAARVOOR HIJ BEKWAAM IS.
Lāhirī: Hoe wordt adhikāra (bekwaamheid) vastgesteld met betrekking tot sādhana-bhakti ?
Bābājī: Als de geestelijk leraar vindt, dat een trouwe sādhaka geschikt is om zich aan de regulerende principes van śāstra te houden, geeft hij hem eerst instructies in vaidhī-sādhana-bhakti . Als hij denkt, dat een sādhaka geschikt is voor rāgānugā-bhakti , vertelt hij hem hoe hij bhajana moet uitvoeren volgens de rāga-mārga.
Lāhirī: Hoe wordt adhikāra herkend?
Bābājī: Iemand is geschikt voor vaidhī-bhakti , als hij Bhagavān wil vereren volgens de regels en voorschriften van de śāstra en als hij het principe van spontane hartstocht (rāga ) nog niet in zijn ātmā (ziel) heeft ervaren. Iemand is bekwaam voor rāgānugā-bhakti, als een spontane behoefte aan hari -bhajana in zijn ātmā is ontwaakt en hij in zijn verering van Śrī Hari niet ondergeschikt wil zijn aan de voorschriften van śāstra.
blz.92
Lāhirī zei toen nederig, “Zegt u me alstublieft duidelijk welk soort bhajana ik moet uitvoeren.”
“Je moet hari-nāma uitvoeren,” antwoordde Bābājī Mahārāja gedecideerd. “Śrī-nāma-bhajana is sterker dan alle andere vormen van bhajana . Er is geen verschil tussen nāma , de heilige naam, en nāmī , Bhagavān, die de eigenaar is van de heilige naam. Als je nāma zonder overtreding chant, bereik je heel snel perfectie. Alle negen vormen van bhajana worden automatisch uitgevoerd, wanneer je nāma-bhajana uitoefent.
- Iemand, die śrī-nāma uitspreekt, doet twee dingen tegelijk, horen
- en chanten.
- Als je chant, herinner je het spel en vermaak van Hari en
- zo dien je Zijn lotusvoeten in je hoofd,
- je vereert Hem,
- je biedt Hem gebeden aan,
- je dient Hem in de relatie van dienaar,
- je dient Hem in de relatie van vriend en
- je geeft jezelf aan Hem over.”
Hoofdstuk 6
Nitya-dharma, ras en kaste
- De eerste twee zijn ānukūlyasya saṅkalpa
- en prātikūlyasya varjanam: "Ik doe alleen wat gunstig is voor onvermengde bhakti en ik wijs af wat ongunstig is." Dit heet saṅkalpa of pratijñā, een plechtige gelofte.
- Het derde symptoom is rakṣiṣyatīti viśvāso, vertrouwen in Bhagavān als beshermer: "Bhagavān is mijn enige beschermer. Ik heb helemaal niets aan jñāna, yoga en dergelijke bezigheden." Dit is een uiting van vertrouwen (viśvāsa).
- Het vierde symptoom is goptṛtve varaṇam, vrijwillige acceptatie van Bhagavān als instandhouder: "Ik kan op eigen kracht niets bereiken, of zelfs niet mezelf onderhouden. Ik zal Bhagavān dienen, voor zover ik dat kan, en Hij zal voor me zorgen." Dit wordt afhankelijkheid (nirbharatā) genoemd.
- Het vijfde symptoom is ātma-nikṣepa, overgave: "Wie ben ik? Ik ben de Zijne. Het is mijn plicht om aan Zijn wensen te voldoen." Dit is overgave van het zelf (ātma-nivedana).
- Het zesde symptoom is kārpaṇye, bescheidenheid: "Ik ben ellendig, onbeduidend en materieel behoeftig." Dit wordt met nederigheid (kārpanya of dainya) bedoeld.
- Het soort bhakti , dat is beëindigd op het punt, waar het mukti schenkt, is slechts een soort naimittika-karma ,
- terwijl bhakti , die vóór, tijdens en ná mukti aanwezig is, een andere en eeuwige waarheid is, namelik de nitya-dharma van de jīvas.
Hoofdstuk 7
Nitya-dharma en het materiële bestaan
- Deze ("Ik ben") houdingen worden ahaṁtā genoemd, wat letterlijk betekent het gevoel van 'Ik-heid', of vals egoïsme.
- Behalve deze ahaṁtā komt een andere functie de aard van de jīva binnen, namelijk mamatā ('bezitsdrang', of het gevoel van 'mijn')...
- De jīvas, die hun relatie met Kṛṣṇa niet vergeten, zijn versterkt met cit -śakti en worden vanuit die positie naar het spirituele gebied getrokken, waar zij Zijn eeuwige metgezellen worden en beginnen daar de zegen van Zijn service te proeven.
- De jīvas, die zich van Kṛṣṇa afkeren, willen van māyā genieten en māyā trekt hen met haar vermogen aan. Vanaf dat moment ontstaat onze materiële levensstaat en verdwijnt onze ware spirituele identiteit. Dan denken we, "Ik ben de genieter van māyā ". Dit vals egoïsme bedekt ons met allerlei soorten valse identiteiten.
- ofwel gṛhastha-bhaktas , dan zijn ze gehuwd en hebben een huishouden,
- of ze zijn tyāgī-bhaktas , dan hebben ze het huishoudelijke (gehuwde) leven afgelegd...
- ziet vormen en kleuren met zijn ogen;
- hij hoort geluid met zijn oren;
- hij ruikt geuren met zijn neus;
- hij voelt met zijn huid; en
- hij proeft met zijn tong.
- De ogen van de hele familie worden bevredigd door de vorm van het Godsbeeld en door de objecten in relatie tot Kṛṣṇa te zien;
- hun oren raken volledig bevredigd door het horen van hari -kathā en de levensverhalen van grote sādhus ;
- hun neus ervaart bevrediging door de geur van tulasī en andere geurende objecten te ruiken, die aan de lotusvoeten van Śrī Kṛṣṇa worden geofferd;
- hun tong proeft de nectar van kṛṣṇa-nāma en de restanten van het voedsel, dat aan Kṛṣṇa is geofferd;
- hun huid voelt vreugde door het aanraken van de ledematen van Śrī Hari’s bhaktas ;
- bahirmukha-pravṛtti, de uitgaande tendens; en
- antarmukha-pravṛtti , de binnenwaartse tendens.
- naar buiten, naar de externe wereld gekeerd te zijn en
- naar binnen, naar de ziel gekeerd te zijn.
- Hij moet vrij zijn van het verlangen om met de andere sekse te associëren;
- hij moet een onvoorwaardelijke compassie voor alle levende wezens koesteren;
- hij dient geheel onverschillig te zijn jegens de pogingen om rijkdom te vergaren en
- hij mag alleen voedsel en kleding naar behoefte aanvaarden louter om zichzelf in stand te houden.
- Hij dient een onvoorwaardelijke liefde voor Kṛṣṇa te koesteren;
- hij dient de associatie van materialisten te vermijden en
- hij dient vrij te zijn van voorkeur voor en afkeer van het leven en de dood.
- in een niet-gevallen conditie te leven en
- zich bezig te houden met de dienst van Viṣṇu en Vaiṣṇava’s.
- die ernstig worden beïnvloed door de materiële kwaliteiten van hartstocht en onwetendheid,
- die excessief aan materiële lustbevrediging zijn gehecht en
- die een sterke neiging hebben het pad van baatzuchtig streven (pravṛtti-mārga) op te gaan,
- met een natuur in de kwalilteit goedheid en zuiverheid,
- die het pad van onthechting (nivṛtti-mārga) volgen,
- Mensen in een lagere natuur, die geneigd zijn zich bezig te houden met baatzuchtig streven, worden gedwongen om gṛhasthas te worden.
- Naiṣṭhika-brahmacārīs , degenen die een leven lang de gelofte van het celibaat afleggen, zijn de rijkdom van Śrī Kṛṣṇa’s hart.
- Degenen, die zijn onthecht in vānaprastha, zijn voortgekomen uit Kṛṣṇa’s borst en
- sannyāsīs, die het reservoir van gunstige kwaliteiten vormen, zijn uit Zijn hoofd voortgekomen.
Reacties
Een reactie posten